Genesis - die
eenvoudige, unieke maar onkenbare plek waarvan God de mensheid heeft buitengesloten
maar waarnaar we toch eerbiedig en vasthoudend blijven zoeken.
Deze volmaakte
plek, die geen uitdagingen kent, spookt door ons bewustzijn, maar kan ons alleen
maar verbasteren door de almachtige aanwezigheid van de uitdaging zelf. Het
enige kenbare teken uit zich blijkbaar in de vloek van de voortdurende uitdaging,
terwijl we onherroepelijk onze eigen eindigheid tegemoet gaan.'
Tigerman keert
dus de vraag wat typisch joodse architectuur is om, door te beweren dat de daad
van het ontwerpen op zich een poging is het verbond te bezegelen, naar huis
terug te keren en een eind te maken aan de verbanning: de staat waarin de mensheid
zich bevindt.
In een wereld waarin we weinig vertrouwen hebben in zowel God
als in utopia, wordt architectuur 'tikkun', de 'mislukte poging een ongeneeslijke
wond te helen'. Zo heet het boek dat bij nu aan het schrijven is, maar de fraaie
formulering wordt wellicht bondiger samengevat in de titel van Salman Rushdie's
roman over een half-joodse Indiër, die sterft vanaf het moment van zijn
geboorte
terwijl hij droomt van een utopie die zijn doodskamp blijkt te zijn:
De laatste zucht van de Moor.
Tigerman verwijst naar een onderliggende metafysica van het
judaïsme die inderdaad relevant is voor de hedendaagse architectuur. In het
algemeen gaat het simpelweg om de aanwezigheid van afwezigheid als een centraal,
zoniet hét centrale gegeven van de moderne tijd en misschien wel van de mensheid,
dat boven komt bij elke poging om de joodse traditie in architectuur toe te
passen.
Het judaïsme heeft nooit een lichaam van Christus gekend waarmee we ons
konden identificeren. Het heeft nooit een plek tot thuis uitgeroepen,
behalve een plek die onbereikbaar ver weg lag. Het kon niet bogen op een
historie die haar neerslag had gekregen in een vaste vorm. Altijd heeft liet
judaïsme het woord boven het beeld gesteld. Het stond voor de God die altijd
verborgen moest blijven en wiens naam niet mocht worden uitgesproken, voor
het land dat er niet meer was, voor het gevoel van in beweging zijn.
> vervolg