Dada
Tijdens de eerste wereldoorlog was de situatie in Zürich gespannen.
Diplomaten, oorlogprofiteurs, spionnen, deserteurs, vluchtelingen, en
politieke samenzweerders vonden een betrekkelijk veilige haven in het
neutrale Zwitserland. Vooral door de komst van Lenin in februari
1916 ontwikkelde de stad zich tot centrum van revolutionaire propaganda. Lenin vertrok weer in april 1917 naar Rusland om leiding
te gaan geven aan de oktoberrevolutie. Veel radicale socialisten en
revolutionairen bleven achter.
De aanwezigheid van talrijke buitenlandse intellectuelen en kunstenaars
gaf sterke impulsen aan het culturele leven. Zo kon men na het luisteren
naar een gast college van C.G. Jung op de universiteit, en lopend
door de Niederdorfstrasse, Tristan Tzara zien zitten in
restaurant Tivoli en Igor Stravinsky in café Pfauen. De dichter Frank Wedekind had zijn stamtafel in Café Odéon waar ook Hermann Hesse te vinden was.
James Joyce schreef er het grootste deel van Ulysses en
het dadaïsme werd uitgeroepen. Over het ontstaan van de naam
van de Dadabeweging in 1916 en het onder die naam uitgegeven
tijdschrift Dada bestaan verschillende lezingen. Ontgoocheld
door de als leugenachtig ervaren burgerlijke cultuur – voor velen betekende
de Eerste Wereldoorlog de totale ontmaskering van maatschappelijke idealen
als collectiviteit en beschaving – vielen de dadaïsten terug
op radicale en eigenzinnige vormen van kunst, waarbinnen ze zich wars
van heersende waarden en normen opstelden.
Ze droegen klankgedichten voor, gaven ruisconcerten en schreven teksten
met letters in de volgorde waarin ze toevallig uit een zak vielen. In
collages en fotomontages zochten ze naar een alternatieve beeldende
kunst die de illusie van het afbeelden en portretteren verving door
beelden uit de werkelijkheid te recupereren.
Vaak doelden ze expliciet op protest en parodie. Dada was geen
stijl, maar een geesteshouding. De dadaïsten wilden geen nieuwe
waarden poneren, wilden nergens formeel achter staan. Ze werkten uitsluitend
vanuit een fundamenteel engagement voor kunst. Doordat ze zich daarbij
bewust buiten de burgerlijke smaak bewogen, werd hun kunst als antikunst bestempeld. Het was antikunst in de zin dat dadaïsten protesteerden
tegen de toenmalige academische en culturele waarden van kunst.
Dada stond tegenover alles waar kunst voor stond. Hield de kunst zich
bezig met esthetica, Dada wees dat af. Als kunst al een op zijn minst
impliciete of verborgen betekenis kon hebben, streefde Dada naar betekenisloosheid.
De interpretatie van Dada ligt geheel bij de toeschouwer. Als kunst
een beroep doet op gevoelens, wil Dada beledigen. Het is ironisch dat
Dada een invloedrijke beweging in de moderne kunst werd.
Dada was een internationale beweging en het is moeilijk om de
kunstenaars in te delen naar de landen van herkomst, omdat ze voortdurend
van de ene naar de andere plek trokken. In een aantal grote steden,
waarvan de belangrijkste Berlijn, Hannover, Keulen, Parijs en
New York waren, ontstonden dadabewegingen met een verschillend karakter.
Daarnaast waren er veelal individuele spontane en onafhankelijke initiatieven
in Rusland, Hongarije, voormalig Joegoslavië (Zagreb) Roemenië (Marcel
Janco) en in Spanje (Barcelona, Francis Picabia).
Dada in Zürich
In febr.1916 werd het dadaïsme (vermoedelijk) uitgevonden in
Zürich door de duitse vluchteling Hugo Ball en zijn metgezellin Emmy Hennings, danseres en zangeres. Snel sloten anderen zich
bij hen aan, met o.m. de Roemeense dichter Tristan Tzara en de
duitse dichter Richard Huelsenbeck, de Roemeense schilders Marcel Janco en Arthur Segal, de duitse schilder Hans
Richter, de Nederlandse kunstenaars Otto en Adya van Rees,
de Elzasser Hans Arp, en de Zwitserse schilderes en danseres Sophie Taeuber (zie foto), de jurist en schrijver Walter Serner en Rudolf Laban, choreograaf en leider van zijn experimentele
dansgroep.

De groep kwam regelmatig bij elkaar in Café Meierei in de Spiegelgasse. De dadaïsten gaven het een nieuwe naam: Cabaret Voltaire en veranderden
deze kroeg in een soort literair en artistiek café waar poëzie werd
voorgelezen, tentoonstellingen plaats vonden en allerlei voorstellingen
werden gehouden. De openingsavond was op 5 februari waarbij Hugo Ball
voorlas uit het werk van Voltaire. Vrijwel dagelijks was er een gevarieerd
programma aanbod van muziek, poëzie en dans en
was er regelmatig beeldende kunst te zien.
23
juni 1916: Hugo Ball leest zijn eerste klankgedichten voor, gehuld
in een kubistisch pak van karton.
14 juli 1916: eerste openbare Soirée in het Zunfthaus zur
Waag. Ball draagt zijn klankgedichten voor en Tristan Tzara las een dadamanifest voor dat beschouwd wordt als één van de belangrijkste
dadageschriften. Andere manifesten volgden.
Een eenmalige uitgave van het tijdschrift Cabaret Voltaire, (geredigeerd
door Hugo Ball), was de eerste publicatie vanuit de beweging (31 mei 1916).
Na de sluiting van Cabaret Voltaire eind juli 1916, verplaatsten
de activiteiten zich naar een nieuwe galerie, Galerie Dada, en
kort daarop vertrok Ball met ruzie uit Zürich. In Galerie
Dada vonden de dadasoirées 2 t/m de 6 plaats; de 7e op 23 juli 1918
in Zunfthaus zur Meise en de 8e tevens de laatste grote dada-activiteit
was op 19 april 1919 in Zunfthaus zur Kaufleuten.
Tzara begon een overrompelende campagne om de dada-ideeën te verspreiden.
Hij bombardeerde franse en Italiaanse kunstenaars en schrijvers met
brieven en manifesteerde zich als dadaleider en meesterlijk strateeg.
Hij formuleerde ook het onderscheid van Dada met het sterk programmatische
Futurisme: de enige beginselverklaring van het dadaïsme is juist er
geen te hebben.
Onder zijn leiding verscheen vanaf juli 1917 het kunst
en literatuur tijdschrift Dada; vijf edities vanuit Zürich en
de laatste drie vanuit Parijs.
In de loop van de eerste wereldoorlog breidde het dadaïsme zich over
heel Europa uit. Overal protesteerden kunstenaars met gerichte provocaties
tegen de oorlog en het autoritaire burger- en kunstenaarsdom. Tegen
het nationalisme en militarisme kozen zij de kant van het pacifisme
en stelden sarcastisch de toenmalige absurd geworden waarden ter discussie.
Toen de eerste wereldoorlog eindigde in 1918 keerden de meeste
dadaïsten uit Zürich terug naar hun thuislanden, maar sommigen begonnen
met dada-activiteiten in andere steden.
Dada, klank en tekst
Hugo Ball was de uitvinder van het betekenisloze klankgedicht.
Daarbij werd het samenspel van woordklank en betekenis verbroken en
werden de woorden in losstaande lettergrepen uit elkaar gehaald. De
taal werd ontdaan van zijn betekenis en de klanken werden tot ritmische
klankbeelden samengesteld. Het idee daarachter was om af te zien van
een taal, die volgens de dadaïsten misbruikt werd en geperverteerd was.
Met de zogenaamde simultaan gedichten (klankgedichten werden tegelijkertijd
door meerdere mensen door elkaar heen gesproken) wilden de dadaïsten
de aandacht vestigen op het oorverdovende lawaaidecor van de moderne
wereld (in loopgraven, in de grote steden,…) en het verstrikt raken
van mensen in mechanische processen. Overigens waren buiten de dadaïsten,
nog vele andere schrijvers, dichters en kunstenaars bezig met allerlei
taalexperimenten.
Hugo Ball: "Met deze klankgedichten willen we afstand doen van
een taal die kapot is gemaakt en onmogelijk geworden is door de journalistiek.
We moeten ons terugtrekken in de diepste alchemie van woorden, en zelfs
de alchemie van het woord verlaten, om zo de heiligste domeinen van
het dichten veilig te stellen".
Wanneer hij zijn klankgedichten voordroeg barstte het publiek uit in
gelach, en reageerde vol van ongeloof en verbazing.
Dada in Berlijn
In Berlijn werd Dada op radicale wijze in de
praktijk gebracht. Daar waren het George Grosz, Raoul Hausmann en Helmut Herzfelde (later John Heartfield geheten) die
van Richard Huelsenbeck hoorden hoe het in Zürich toeging. Zij
hadden dezelfde ideeën en sloten zich bij hem aan. Al gauw kwam Huelsenbeck met een dadamanifest, waarin hij tekeer ging tegen
het Futurisme en het Kubisme, en Dada proclameerde. Kort daarna werd "Club Dada" opgericht. In Club Dada zaten de echte Berlijnse
dadaïsten. Een van de leden was Johannes Baader, die zichzelf
tot president van de aardbol uitriep. Dada werd steeds extremer, met
beledigingen en aanvallen op politieke persoonlijkheden.
Dada Berlijn kwam wel met een nieuwe beeldende techniek, de fotomontage.
In Zürich was de collagetechniek al wel gebruikt, in Berlijn werden
realistische foto's in z'n geheel verwerkt tot nieuwe kunstwerken. Raoul Hausmann en Hannah Höch waren de eersten die deze
vernieuwing hebben toegepast. Men zocht ook nieuwe wegen in de dichtkunst.
De klankgedichten zoals die in Zürich werden voorgedragen door Hugo Ball, Richard Huelsenbeck en Hans Arp werden
verder ontwikkeld. Hausmann was ook mede oprichter van "Der
Dada", het belangrijkste tijdschrift van de Berlijnse dadaïsten.
Men organiseerde twaalf matinees in Berlijn, waarbij het publiek beschouwd werd als idioten en uitschot.
In 1920 vond het hoogtepunt plaats, de eerste internationale Dadabeurs. Dadaïsten uit alle maatschappelijke
lagen en van allerlei politieke overtuigingen ontmoetten elkaar. Een van de thema's was natuurlijk de haat tegen
elke vorm van autoriteit.
Alle dadaïstische tijdschriften, affiches, publicaties, etc. werden daar getoond en maakten de pluriformiteit
duidelijke zichtbaar.
Dada in Hannover
Kurt Schwitters was de centrale persoon in Hannover, hij had een talent
voor spreken en voordragen. Omdat hij niet in de Berlijnse Dadakring werd opgenomen, zag hij maar af
van het woord Dada, en ging zijn eigen kunst benoemen met het woord "Merz", een lettergreep die hij geknipt
had uit het woord Commerzbank voor een van zijn collages. Ook zijn ideeën gingen in de richting van de Antikunst.
Kurt Schwitters kon het goed vinden met Hans Arp, ze hadden beiden dezelfde ideeën. Hij gaf al
snel een eigen tijdschrift genaamd Merz, uit, bedacht een eigen theorie voor het schrijven van gedichten,
die hij Schwitters-logica noemde. "Niet het woord is het oorspronkelijke materiaal voor een gedicht,
maar de letter". Het woord is in de eerste plaats een compositie van letters, op de tweede plaats klank, op
de derde betekenis, en als vierde drager van ideeënassociaties.
Kurt Schwitters was actief in alle kunstdisciplines, hij maakte collages, schilderde, componeerde, dichtte
en schreef. "Een kunstenaar leeft dada, volledig en geconcentreerd"
Zijn grootste en meest bijzonder werk was de "Merzbau". Hij had talrijke ruimtes gemaakt in een kamer,
allemaal anders van maat, richting en vorm. Als de kamer vol raakte brak hij door het plafond heen om zo verder
te kunnen bouwen. Elk van de ruimtes had betrekking op zijn persoonlijke gedachten en herinneringen. Zo was
er bijv. een Arp-ruimte waarin hij herinneringen aan Arp als een gerookte sigaret en een flesje urine, bewaarde.
Opmerkelijk is het bezoek dat Marcel Duchamp en Katherine Dreier mei 1929 brachten aan de Merzbau van Kurt Schwitters in Hannover. Duchamp
en Schwitters zijn te beschouwen als de grondleggers van de latere installatie-kunst.
Katherine Dreier was organisator van veel avant-garde tentoonstellingen in Amerika en Europa in de 30-er jaren
en oprichter van de Société Anonyme (1920).
Ze correspondeerde met Schwitters tot aan zijn dood in Ambleside, 1948.
(zie ook bij Projecten, The remarkable
journey of Schwitters' Merzbarn)
Dada in Keulen
Max Ernst was de centrale figuur in Keulen. Samen met de schilder Johannes Theodoor Baargeld gaf
hij het dadaïstische tijdschrift "De Ventilator" uit. Vanwege de kritiek op kerk, volk en staat werd
het al snel verboden door de Britse bezettingsautoriteiten.
Arp, Ernst en Baargeld organiseerden een dadatentoonstelling, die door de politie weer
werd gesloten, omdat er aanstootgevend materiaal te zien zou zijn.
Dada in Nederland
Otto en Adya van Rees waren vanaf 1916 betrokken bij de dadabeweging in Zürich. In een latere fase komen Paul Citroen (Berlijn 1917), Theo en Nelly van Doesburg (Parijs 1920) met de beweging in contact. Hendrik Werkman (Groningen), Evert en Thijs Rinsema (Drachten) blijken in hun werk vooral op dezelfde golflengte te zitten.
In 1923 wordt de Dada-veldtochtdoor Nederland gehouden met als deelnemers Theo en Nelly van Doesburg,
Kurt Schwitters en Vilmos Huszár. 10 januari was de eerste voorstelling in Den Haag (Haagse Kunstkring), daarna volgden 11 januari Haarlem
(Zaal Rosehaghe), 16 januari Amsterdam (Parkzicht), 19 januari Amsterdam (Bellevue), 22
januari Delft (Delftse Studentensociëteit), 25 januari ‘sHertogenbosch (Luxortheater), 27 januari
Tilburg (Besterds Belang), 28 januari, 3 februari Den Haag (Diligentia), 29 januari Utrecht (Gebouw
voor Kunsten en Wetenschappen), 31 januari en 6 februari Rotterdam (Salon Doele)
en 14 februari Leiden, Leidse Schouwburg), 12 maart Den Haag (Dansinstituut Lili Green) en 28 maart Den Haag (Volksgebouw).
De geplande voorstellingen op 8 februari in Bussum en 9 februari
in Utrecht gingen niet door wegens gebrek aan belangstelling. Op 13 april was Kurt Schwitters in Drachten en
hield daar een éénmansvoorstelling.
Meer hierover: Zie ons project "Een middag in de Dada-Warroom".
Dada in New York
In New York (een
veilige haven net als Zürich) richtte Dada zich steeds meer op anti-kunst. Vlak na hun aankomst in 1915 vanuit Frankrijk, ontmoetten Marcel Duchamp en Francis Picabia de Amerikaanse kunstenaar Man Ray. Rond 1916 waren deze drie de spil van de radicale antikunst activiteiten in de Verenigde Staten.
Veel speelde zich af in Galerie 291, van Alfred Stieglitz (vernieuwend fotograaf) en het huis
van Walter en Louise Arensberg. De New Yorkers daagden kunst en cultuur uit door publicaties als The Blind Man, Rongwrong, en New York Dada waarin ze de tradtitionele museumkunst bekritiseerden.
De kunstenaars, waaronder Marcel Duchamp, maakten een tentoonstelling in het "Armory" in New York en
presenteerden een geheel nieuwe vorm van kunst.
Vooral Marcel Duchamp viel op met zijn schilderijen waarin sprake was van "licht als beweeglijke factor
in de schilderkunst". Zijn "readymades" waarin hij gewone voorwerpen de status van kunstwerk gaf, waren
volkomen dadaïstisch. De kunstenaar creëerde ze niet, hij "vond" ze. Zo ontstond bijv. de "fountain" ,
een rechtop geplaatste toiletpot die hij signeerde met R. Mutt. Voor hem betekende dit werk niets, het symboliseerde
slechts het "niets" van onze wereld en leven. Vanaf 1911 (Parijs) tot 1923 (New York) werkte hij aan
het "Grote Glas" dat “definitief onvoltooid (MD) ” is gebleven.

afb.
- Het Grote Glas (De bruid gestript door haar vrijgezellen, zelfs) bestaande uit 18
onderdelen,
- Marcel Duchamp achter een deel van het Grote Glas. Foto 1920.
- Marcel Duchamp met één daarvan, "Oogartsgetuigen". Foto omstreeks 1960
Francis Picabia was de verbindende schakel tussen de dadagroepen in New York, Zurich en Parijs.
In 1919 verhuisden Marcel Duchamp en Francis Picabia weer naar Parijs, waar Man Ray zich in 1921 bij hen voegde en Dada in zijn laatste fase was beland.
Dada in Parijs
De franse avant-garde werd goed op de hoogte gehouden over de activiteiten in Zürich, m.n. door Tristan Tzara, die tijdschriften, gedichten, brieven uitwisselde met schrijvers, critici en kunstenaars waaronder Guillaume Apollinaire, André Breton, Max Jacob en vooral ook met Francis Picabia.
Rond 1919 kwamen dadaïsten samen in de woning van Germaine Everling, en haar vriend Picabia, en
in hun stamcafe Café Certa, waar ook de groep rond Jean Cocteau werd gesignaleerd, en dat later het stamcafé
van de surrealisten werd. Daar ontmoette Marcel Duchamp (ingetrokken bij Everling en Picabia na zijn
terugkeer uit New York) voor het eerst de parijse dadaïsten, eind juli/begin augustus 1919.
Tzara arriveerde 17 januari 1920 in Parijs en werd ontvangen in de salon van Everling, waar de
voltallige redactie van Littérature (Louis Aragon, André Breton, Paul Eluard en Philippe Soupault) met hem sprak. Kort daarna ontstonden er dada-activiteiten in Parijs. Everling
hield regelmatig haar “salon” van 1919-1924.
Er verschenen veel tijdschriften
en pamfletten met poëzie, proza, essays. De belangrijkste zijn:
Het tijdschrift “391” met als enige redacteur Picabia, begon in Barcelona, januari 1917; het laatste
nummer verscheen in oktober 1924. L’Esprit Nouveau (van oktober 1920 t/m januari 1925) en Littérature (van maart 1919 t/m juni 1924).
Dada, de nrs 6, 7 en 8, het laatste nummer had als datum 16 september 1886(!) en Transition, dat
pas in 1927 verscheen (t/m 1938). Regelmatig werd er behalve in de dagelijkse kranten, in Comoedia, "revue
littéraire", over dada-activiteiten geschreven en gedebatteerd door voor- en tegenstanders:
De eerste dadamanifestatie in Parijs werd gehouden op 23 januari 1920 in het Palais des Fêtes: Premier Vendredi de Littérature. Daarna waren er de dadamanifestatie op 27 maart 1920 in le Théâtre de la Maison de L’Oeuvre in Salle Berlioz,
en het "Festival Dada", 26 mei 1920 in Salle Gaveau. (afb. dadafestival, Salle Gaveau 1920. "You
will forget me", toneelstuk geschreven door André Breton en Philippe Soupault. Op de foto linksboven, Paul Eluard,
rechts Théodore Fraenkel, onder links, Philippe Soupault en rechts André Breton.)
Op 14 april 1921 was er de dada-excursie naar de église Saint-Julien-le-Pauvre, Veel dadaïsten en belangstellenden
deden daaraan mee. (klik op de foto)
Er waren nog plannen voor andere excursies, die echter niet doorgingen. Een dada-expositie, “Salon Dada” werd
van 6-30 juni 1921 gehouden in de hal van Studio des Champs-Elysées (deel van Théâtre des Champs-Elysées) op de bovenste etage van het gebouw aan de avenue Montaigne: voorzien van de weidse naam Galerie Montaigne.
Het Théâtre des
Champs-Elysées was de plek van veel dadaïstische en avant-gardistische activiteiten.
Het werd gebouwd in 1913 door de gebroeders Peret. De opening ging gepaard met het schandaal dat de uitvoering
29 mei van de Sacre du Printemps veroorzaakte. Strawinski's muziek en de choreografie van Nijinski
choqueerden het publiek.
In de twee zalen van het Théâtre des Champs-Elysées werden een Soirée-dada op 10 juni en twee
matinées op 18 en 30 juni 1921 gehouden (15.30 uur): “Grande Après-Midi Dada”, het leek goed afgesproken
met de zaaleigenaar maar… op vrijdag 17 juni was er ook een Soirée Bruitiste met een concert door Marinetti en andere futuristen en op 18 juni was er s’avonds een première van een stuk van Jean Cocteau. Dat leverde
beide avonden weer de nodige trammelant op, daarop vertrokken de dadaïsten onder politiebegeleiding uitgejouwd
door het publiek.
Op 19 June 1926, werd hier George Antheil's Ballet Mécanique, uitgevoerd voor een volle zaal waarbij
o.a aanwezig waren: James Joyce, T.S. Eliot, Ezra Pound and Sylvia Beach.
Het Théâtre des Champs-Elysées was vooral in trek door het moderne en internationale repertoire, internationale
gezelschappen (oa Isadora Duncan/zweedse en russische balletten)
Ballet Mécanique, film van Fernand Léger en Man Ray, 1924.
George Antheil componeerde de begeleidende muziek, voor het eerst als concertstuk uitgevoerd in 1926. Film en
muziek zijn pas in 2000 voor het eerst samengevoegd. (Duur: 16 minuten, muziek bij deze film: Ballet Mécanique,
Philadelphia Virtuosi Chamber Orchestra olv Daniel Spalding, 2001).
14 juli 1921 kwam Man Ray in Parijs aan; hij sprak geen frans en werd door Marcel Duchamp ontvangen die voor hem een kamer had geregeld in het hotel, waaruit Tzara net vertrokken was. In de pas geopende boekwinkel Six van Philippe Soupault, had Man Ray een half jaar later een solo-expositie tussen 3-31 december 1921, waar hij nog niets verkocht. Erik Satie was tijdens de opening aanwezig.
Op 6 en 7 juli 1923 werd de Soirée du Coeur à Barbe in het Théâtre Michel gehouden. Het zouden de laatste
grote performances zijn van de "Paris Dada" groep met kostuums van Sonia Delaunay en decors van Theo
van Doesburg. De pianiste Nelly van Doesburg speelde de compositie "Proeven van Stijlkunst" van de Nederlandse
componist Jacob van Domselaar. Aan het eind een opvoering van Le Coeur a Gaz van Tristan Tzara.
Breton, Eluard en Souppault hadden sinds het voorjaar van 1922 dada als een mislukking beschouwd en gaven Littérature
een andere koers. De avond liep uit op handgemeen tussen diverse kopstukken en de politie moest er aan te pas
komen.
(afb. dadaïsten/surrealisten: Paul Eluard, met portret van de fotograaf Man Ray. V.l.n.r. achterste rij, Paul Chadourne, Tristan Tzara, Philippe Soupault, Serge Charchoune. Onder, Paul Eluard, Jacques Rigaut, Mick Soupault, Georges Ribemont-Dessaignes.)
In 1924 waren de meeste dadaïsten opgegaan in de beweging van het surrealisme, behalve Tzara en Picabia en Marcel Duchamp, zij kozen nadrukkelijk voor een rol als onafhankelijk kunstenaar.
(afb. de surrealisten in hun nieuwe (1924) "Bureau de Recherches Surréalistes". V.l.n.r. achterste rij, François Baron, Raymond Queneau, André Breton, Jacques Boiffard, Giorgio de Chirico, Roger Vitrac, Paul Eluard, Philippe Soupault, Robert Desnos, Louis Aragon. Onder: Pierre Naville, Nadine Breton, Max Morisse, Marie-Louise Soupault.)
De laatste officiële dadastunt was de film Entr’acte van René Clair (duur 24 minuten) met muziek van Eric Satie, met Marcel Duchamp, Man Ray, Picabia, Eric Satie en nog vele anderen. Deze film was bedoeld als een tussentijdse verpozing in de pauze van het ballet Relâche, bedacht door Picabia. De uitvoering vond 4 december 1924 plaats.
René Clair, Entr'acte. 1924, muziek Eric Satie.
(fragment met schaakpartijtje tussen Marcel Duchamp en Man Ray, opgenomen op het dak van het Théâtre des Champs-Elysées, duur 1,14 minuten.)