Matthijs van Boxsel:
De onzichtbare tuin
In 1979 werd in het Victoria and Albert Museum te Londen
een tentoonstelling gewijd aan de tuinarchitectuur. Vergeefs zocht men tussen
de plattegronden en tekeningen naar de tuinen van Brown. Een bordje vermeldde
dat zijn werk: 'een afwijking was die slechts een halve eeuw heeft geduurd,
en die de Engelsen heeft beroofd van het soort ingewikkelde bloemrijke tuin
waar ze van houden. Le jardin anglais verwijst naar de tijd toen de Engelsen
hun hoofd verloren en hun tuinen sloopten. [...]
Zijn kunst en genie bestonden er uitsluitend in grond, water en bomen te
moduleren'. Inderdaad ging het Brown niet om een schilderachtige inhoud. Hij
ruimde drastisch alle formele tuinen naar Italiaans, Nederlands en Frans
model. Het was hem niet te doen om bloemen, urnen, tempels en andere
frivoliteiten, maar om de grote lijn van schoonheid.
De paradoxale tuin van Brown valt niet te onderscheiden van de natuur. Zijn
tuin valt samen met de lege ruimte waarin normaliter een tuin wordt
geplaatst.
De 'lege' tuin vloekt niet alleen met andere tuinen, maar ook
met het genre in zijn geheel! In het species 'Engelse tuin' stuit het genus
'tuin' kortom op zijn eigen tegendeel.
Dat de 'onzichtbare' tuin van Brown op de tentoonstelling schittert door
afwezigheid is dus niet louter ironie. De expositie kan geen ruimte laten
voor een tuin die het genre ondermijnt. Maar tegelijk werkt deze smet op de
tuinkunst als een ijkpunt: het genre kan zich alleen legitimeren door zich
af te zetten tegen een tuin die de tuin ontkent!
Uit: Encyclopedie van de domheid. Matthijs van Boxsel, 1999, EM. Querido's Uitgeverij bv.
< terug