Ik sla af naar de Saint-Merri. Ik loop om de kerk heen, door de Rue du Cloïtre Saint-Merri. Links ontvouwt zich een plein, de uiterste begrenzing van Beaubourg, verlicht zodat het dag lijkt. Op de open plek dobberen de machines van Tinguely en andere veelkleurige kunstwerken op het water van een zwembad of een kunstmatig meer, met hun onverstoorbaar schokkerig ronddraaiende tandwielen; en op de achtergrond zie ik de steigerconstructies en de grote opengesperde monden van Beaubourg-als een Titanic, vergaan in een maankrater, achtergelaten tegen een door klimop weggevreten wand.
Waar dit de kathedralen niet gelukt is, lispelen de grote transatlantische scheepsluiken, in rechtstreeks contact met de Zwarte Maagden.
Alleen hij die om de Saint-Merri weet heen te varen ontdekt ze.