<

Over T.S. Eliot

 

Thomas Stearns Eliot wordt op 26 september 1888 geboren in 2635 Locust Street, St. Louis, Missouri. Zijn voorouders zijn afkomstig uit East Coker, een klein dorp in Somerset in het zuiden van Engeland. Halverwege de 17e eeuw emigreren zij naar Amerika waar zij zich vestigen in Massachusets, in Salem, bekend van de heksenvervolgingen. Zijn overgrootvader is hier lid van de jury voor de zogeheten 'witch trials'.

In de eerste helft van de 19e eeuw vestigt zijn grootvader William Greenleaf Eliot, zich in St. Louis, Missouri. Hier wordt Eliots vader, Henry Ware Eliot geboren, die later president wordt van de Hydraulic-Press Brick Company. Deze trouwt in 1868 met Charlotte Champe Stearns. Samen krijgen zij zeven kinderen, waarvan Eliot de jongste is.

In 1906 gaat Eliot studeren aan de Harvard university in Boston, waar hij in 1910 zijn master’s degree in Engelse literatuur behaalt. Tijdens deze periode in Harvard komt hij in aanraking met en raakt sterk beïnvloed door de Franse literatuur (o.a. Baudelaire, Verlaine, Rimbaud), Dante, de ‘Elisabethan dramatists’ en de symbolistische schrijvers (o.a. Laforgue).

In 1910 brengt Eliot de zomer in Gloucester door. Hier schrijft hij het begin van zijn zogeheten ‘Inventions of the March Hare’ (enkele jaren geleden voor het eerst als compleet werk verschenen). Met name vanwege het werk van de symbolist Jules Laforgue besluit Eliot om aan de Sorbonne in Parijs te gaan studeren (1910-1911). Hij richt zich hier op de Franse literatuur en filosofie. Frankrijk symboliseert voor hem ‘la poésie’, maar meer dan van ‘la poésie’, ondervindt Eliot de invloed van de intellectuele discussies over conflicterende wereldideologieën, waar hij colleges in volgt.

In de zomer van 1911 keert Eliot terug naar Harvard om filosofie te studeren. Hij kan in Harvard als graduate student beginnen om op deze basis aan zijn proefschrift te werken. Tijdens deze nieuwe Harvard periode, van 1911-1914, verdiept hij zich niet alleen in Westerse, maar ook in Oosterse filosofie. Hij volgt colleges bij onder andere Bertrand Russell (symbolic logic) en Josiah Royce (a comparative study of various types of scientific methods). Naar aanleiding van de colleges van Royce en van het werk ‘appearance and reality’ van F.H. Bradley, schrijft hij in 1913-1914 het werk ‘Interpretation of Primitive Ritual’, een werk waarop hij nog lang teruggrijpt en dat ook voor de Four Quartets van belang is.

In het voorjaar van 1914 besluit Eliot om zijn filosofiestudie voort te zetten aan het Merton College in Oxford. Hier bereidt hij zich voor op een proefschrift over F.H. Bradley onder begeleiding van Harold Joachim. Tijdens deze Oxfordperiode legt en/of hernieuwt hij contacten met Ezra Pound (leider van de zogeheten ‘imagisten’), Wyndham Lewis, Hilda Doolittle en Bertrand Russell. Door toedoen van Ezra Pound verdiept hij zich opnieuw in Dante. Via Russell komt Eliot in contact met Ottoline Morrell die een kring van bekende kunstenaars  en artiesten om zich heen  schaarde, zoals Aldous Huxley, Lytton Strackey en D.H. Lawrence. Door deze contacten wordt hij later vaak in verband gebracht met de zogeheten Bloomsbury Group van Virginia en Leonard Woolf.

In 1915 gaat Eliot definitief in Engeland wonen. Op 26 juni 1915 trouwt hij met Vivien(ne) Haigh-Wood. In de periode 1915-1916 heeft Eliot verschillende banen. Hij geeft les aan verschillende scholen en werkt als literair criticus voor enkele bladen. In april 1916 rondt hij zijn proefschrift af over F.H. Bradley: ‘Experience and the Objects of Knowledge in the Philosophy of F.H. Bradley’ (gepubliceerd als ‘Knowledge and Experience in the Philosophy of F.H. Bradley’). De sterke invloed die Bradley op Eliot blijft houden, blijkt uit het feit, dat Eliot zich meer dan twintig jaar later, rond de tijd dat hij Burnt Norton (1936) schrijft nog precies de inhoud herinnert van zijn eerste paper naar aanleiding van Bradley's werk (‘The interpretation of primitive ritual’, 1913) en zich altijd ‘Bradleyan’ is blijven noemen.

Voor Bradley geldt de stelling ‘reality is one’. Hiermee wil hij zeggen dat de werkelijkheid niet op te delen is in stukjes, bedacht door onze ratio, zoals ruimte en tijd. Bradley's ideeën over de werkelijkheid zijn gebaseerd op een concept van ‘het absolute’ zonder welk concept de wereld betekenisloos zou zijn. Dit ‘absolute’ bevat zowel gedachte als werkelijkheid, wil en gevoel in één subliem geheel. Maar daar waar het bij Bradley gaat over ‘absolute truth’, vertaalt Eliot dit in ‘absolute order’: Eliot streeft ernaar om het absolute, op basis van Bradley's ‘reality = one’, te bereiken door het constant vergroten van kennis en een doorgaand zoeken naar systeem, eenheid en samenhang.

Eliot’s werk beslaat poëzie, toneelstukken, kritieken en filosofische essays. Hij wordt beschouwd als een modernist. Zijn eerste gedichtenbundel verscheen in 1917: ‘Prufrock and other observations’. In 1922 verscheen zijn wellicht beroemdste werk ‘The waste land’. Dit gedicht werd gepubliceerd in het eerste nummer van het kwartaalblad ‘The Criterion’. De Criterion was zijn eigen literaire tijdschrift, waarvan hij tevens hoofdredacteur was. De Criterion wordt wel beschouwd als de opvolger van de Egoist, het tijdschrift van de Imagisten. Bij dit tijdschrift raakt Eliot in 1917 betrokken als assistent-redacteur.

In 1935, het jaar dat Eliot het eerste kwartet van Four Quartets ‘Burnt Norton’ schrijft, wordt tijdens het Canterbury Festival zijn toneelstuk  ‘Murder in the Cathedral’ opgevoerd. Dit toneelstuk, dat over het martelaarschap van Thomas Becket handelt, wordt later verfilmd. Op basis van ‘Murder in the Cathedral’ wordt Eliot voortaan beschouwd als de grondlegger van het religieuze drama in versvorm. In 1943 verschijnt Four Quartets, dat veelal als zijn meesterwerk wordt beschouwd. In 1948 ontvangt Eliot voor zijn oeuvre de Nobelprijs voor de literatuur.

Belangrijk in Eliot’s werk en privéleven is de altijd aanwezige religieuze lading. Grootgebracht in een streng ‘unitarian’ milieu, ‘bekeert’ Eliot zich in 1927 tot het anglicaanse geloof (Church of England). In datzelfde jaar krijgt hij de Britse nationaliteit. Tijdens Pasen 1930 wordt het gedicht ‘Ash-Wednesday’ gepubliceerd. Eliot is één van de woordvoerders van de Anglo-Katholieke beweging en kerkvoogd in Kensington.

Ondanks een feitelijk mislukt huwelijk leidt zijn geloofsovertuiging ertoe dat Eliot zich niet van zijn eerste vrouw laat scheiden. Jaren na haar overlijden hertrouwt Eliot in 1957 met Valerie Fletcher, die in 1949 zijn secretaresse bij de uitgeverij Faber & Faber is geworden. In 1965 overlijdt Eliot in Londen. In de Poets’ corner van Westminster Abbey is voor hem een gedenkteken geplaatst. Zijn as is bijgezet in East Coker.

Lees ook:
-Ackroyd, P.: T.S. Eliot, 1984
-Gordon, L.: Eliot’s early years, 1977
-Gordon, L.: Eliot’s new life, 1988
-
Servotte, H.: T.S. Eliot, Four Quartets, 1993