La Carte de Tendre

Introductie:

Als een allegorie van de gevoelens van de liefde werd deze kaart als grap bedacht in de Salon van Madeleine de Scudéry, op een zaterdag in november van het jaar 1653. Paul Pellisson gaf het verhaal vorm, en de kaart werd gepubliceerd in 1654, in boek I van het eerste deel van de roman van Mlle de Scudéry, Clélie.
Dank zij deze uitgave werd de Carte de Tendre doorgegeven aan het nageslacht als essentiële getuigenis van het literaire vermaak van de adel.

Kaarten waren allang in de mode, speciaal de Kaart van het koninkrijk van de Koketterie, die van het koninkrijk van de Welbespraaktheid, die van het koninkrijk van het Kostbare of het Keizerrijk van de Rede. Zoals alles van de adel werden de kaarten geparodieerd, belachelijk gemaakt en bekritiseerd, met name door Molière in de “Précieuses ridicules” in 1659, (De belachchelyke hoofse juffers, vertaling door Pieter dela Croix. 1685) en door Boileau in zijn Dialogues des héros de roman uit 1688, (“Dialogen van de romanhelden”).

De kaart toont een imaginair land, het Koninkrijk van de Tederheid, dat de minnaar moet verkennen, als een soort initiatiereis in het land van de liefde. De plaatsnamen komen overeen met de gewetensvragen van de liefde zoals die was gedefinieerd in de adellijke salons.

Het rijk waarin drie rivieren "Genegenheid", "Achting" en "Dankbaarheid" stromen, en die in de Zee van het Gevaar uitmonden, is opgebouwd rond drie hoofdsteden: Tederheid aan de "Genegenheid", Tederheid aan de "Achting", en Tederheid aan de "Dankbaarheid".

Vlak bij de plek waar de "Genegenheid" ontspringt ligt een vierde stad; “Nieuwe Vriendschap”. Het land is bezaaid met dorpen die “hoofse” namen dragen. Bij Tederheid aan de "Genegenheid" liggen: Groot-edel mens, Charmante nabijheid, Minnebrief, Liefdesbrief, Ernst, Goedheid. Daarentegen liggen bij Tederheid a/d Dankbaarheid: Welwillendheid, Onderworpenheid, Kleine Zorgen, Nauwgezetheid.

De minnaar moet er op letten de goede weg te nemen, want oostelijk van "Nieuwe Vriendschap", loopt de route langs dorpen met minder prettige namen, Nalatigheid, Lauwheid, Ongelijkheid, Loslippigheid, Valsheid en Kwaadsprekerij.

Als de minnaar verdwaalt riskeert hij terecht te komen bij het Meer van de Onverschilligheid, zich te stoten aan de Rots van de Hoogmoed, of te verdrinken in de Zee van de Vijandigheid.