<Matthijs van Boxsel:

TOPOLOGIE VAN DE DOMHEID

"Domheid is onkenbaar; zij valt alleen negatief te definiëren, in contrast met een andere eigenschap of als een gebrek. Dit wil niet zeggen dat domheid iets is dat er niet is. Wij weten dat de domheid bestaat. Wij zien de gevolgen dagelijks om en in onszelf, maar wij komen altijd te laat. Domheid is een grens die immer wordt gemist. Alleen achteraf valt vast te stellen dat wij hem zijn gepasseerd. Te zien zijn alleen de domvormige leegten die zijn achtergebleven.
Intussen is de domheid zelf nog niet opgespoord. Hoe evenwel een 'wezen' te lokaliseren dat geen eigenlijke plaats kent, dat atopisch is, buitenissig, ongerijmd?

Het gevaar bestaat dat wij de domheid scheppen door haar te identificeren, terwijl de domheid nu juist schuilt in het verschil. De domheid is altijd elders. Eenmaal geplaatst en benoemd verliest de domheid haar verbijsterende kwaliteit. Een herkende domheid is een extra wijsheid."
 

DRIE DOMME LANDKAARTEN

"Als  wij een exacte kaart van de wereld willen maken, moeten wij in die kaart ook de kaart zelve karteren, die weer een kaart van de kaart van de kaart moet bevatten, tot in het oneindige. De paradox van de ingebedde kaart is beschreven door Josiah Royce in "The World and the lndividual" uit 1899.
Geheel anders van aard is het oneindige in de paradox van de volledige kaart uit
Sylvie and Bruno concluded (1893) van Lewis Carroll.

Mein Herr vertelt over een plattegrond die net zolang werd geperfectioneerd tot hij een schaal van één op één met het land bereikte. De boeren maakten er evenwel bezwaar tegen, om­dat ze bang waren dat de kaart, eenmaal ontvouwen, de akkers zou bedekken en al het zonlicht zou weren.
Tenslotte kwam iemand op het idee het land te gebruiken als zijn eigen kaart; en tot op heden heeft het land voor zijn inwoners deze rol vervuld." (klik hier voor de tekst)


"De drie kaarten illustreren het probleem van de domheid. Iedere orde kent de totalitaire verleiding. Maar het streven naar volledigheid wordt gefnuikt door een idiotie waar elke vorm van organisatie vroeg of laat op stuit, een ongrijpbare gekte die het systeem dreigt te vernederen tot een klucht. De oneindige regres­sie leert ons ook dat het uiteindelijk de kaart zelf is die een succes­volle kartering van de wereld in de weg staat.
De idiotie vormt een bedreiging van de orde; een directe con­frontatie met de idiotie zou leiden tot verbijstering. Maar de idiotie is tevens een voorwaarde voor het functioneren van onze constructies: ze voorkomt vervreemding. De idiotie geeft te denken.

Verbijstering en vervreemding zijn twee vormen van stupor. Te veel idiotie leidt tot paniek; te weinig idiotie leidt tot verdomming, zoals de paradox van de volledige kaart duidelijk maakt. Het is kortom zaak de idiotie tegelijk in en uit de buurt te houden.
En dat brengt ons bij de vraag: hoe is een volledige kartering van de wereld mogelijk? Als alle pogingen falen komt dit omdat de kar­tering alleen kan slagen door de mislukking zelf als uitgangspunt te nemen. Alleen een orde die voortdurend herinnert aan de eigen onmogelijkheid voorkomt paniek en de vervreemding die hier de keerzijde van vormt. Daarom is de beste oplossing de wereld als haar eigen kaart te gebruiken, want alleen zo maakt de wereld de dwaasheid van de hele onderneming tastbaar.

Het gevaar bestaat evenwel dat wij op den duur die inherente dwaasheid, de lege afstand die de wereld scheidt van zichzelf als haar eigen kaart, over het hoofd zien, en gaan denken dat alles zich vanzelf wijst." (zie ook Ocean Chart)

 

 

DE ONZICHTBARE TUIN

In 1979 werd in het Victoria and Albert Museum te Londen een tentoonstelling gewijd aan de tuinarchitectuur. Vergeefs zocht men tussen de plattegronden en tekeningen naar de tuinen van Brown. Een bordje vermeldde dat zijn werk:

'een afwijking was die slechts een halve eeuw heeft geduurd, en die de Engelsen heeft beroofd van het soort ingewikkelde bloemrijke tuin waar ze van houden. Le jardin anglais verwijst naar de tijd toen de Engelsen hun hoofd verloren en hun tuinen sloopten. [...] Zijn kunst en genie bestonden er uitsluitend in grond, water en bomen te moduleren'.

Inderdaad ging het Brown niet om een schilderachtige inhoud. Hij ruimde drastisch alle formele tuinen naar Italiaans, Nederlands en Frans model. Het was hem niet te doen om bloemen, urnen, tempels en andere frivoliteiten, maar om de grote lijn van schoonheid.
De paradoxale tuin van Brown valt niet te onderscheiden van de natuur. Zijn tuin valt samen met de lege ruimte waarin normaliter een tuin wordt geplaatst. De 'lege' tuin vloekt niet alleen met andere tuinen, maar ook met het genre in zijn geheel! In het species 'Engelse tuin' stuit het genus 'tuin' kortom op zijn eigen tegendeel.

Dat de 'onzichtbare' tuin van Brown op de tentoonstelling schittert door afwezigheid is dus niet louter ironie. De expositie kan geen ruimte laten voor een tuin die het genre ondermijnt. Maar tegelijk werkt deze smet op de tuinkunst als een ijkpunt: het genre kan zich alleen legitimeren door zich af te zetten tegen een tuin die de tuin ontkent!  

Uit: Encyclopedie van de domheid. Matthijs van Boxsel, 1999, EM. Querido's Uitgeverij bv.
 

<

Umberto Eco

 Als fictionele werelden zo prettig zijn, waarom proberen we dan niet de eigenlijke wereld te lezen alsof ze fictie was? Of, als fictionele werelden zo klein en bedrieglijk prettig zijn, waarom proberen we dan niet fictionele werelden te bedenken die even complex, even tegenstrijdig en uitdagend zijn als de eigenlijke wereld?
Om de tweede vraag het eerst te beantwoorden: Dante, Rabelais, Shakespeare en Joyce hebben dit gedaan. En Nerval.

Niemand leeft in het onmiddellijke heden. We verbinden zaken en gebeurtenissen met elkaar met behulp van de kleefkracht van het geheugen, zowel het persoonlijke als het collectieve geheugen (in de vorm van geschiedenis en mythen).

Deze kluwen van individueel en collectief geheugen verlengt onze levensduur door een uitbreiding in het verleden, en komt op ons over als een belofte van onsterfelijkheid. Wanneer we deelnemen aan dit collectieve geheugen (door de verhalen van mensen die ouder zijn dan wij, of door boeken), zijn we net als Borges die naar de magische AIeph staart - het punt dat het gehele heelal omvat: in het verloop van een leven kunnen we, in zekere zin, met Napoleon huiveren als er een plotselinge windvlaag over Sint Helena waait, blij zijn met Hendrik V om de overwinning bij Azincourt, en met Caesar lijden als gevolg van het verraad van Brutus.

Het is daarom eenvoudig te begrijpen waarom fictie ons zo boeit. Fictie biedt ons de kans ons vermogen om de wereld waar te nemen en het verleden te reconstrueren en  onbegrensd te gebruiken. Fictie heeft dezelfde functie als spelen. Door het spel leren kinderen het leven, want ze bootsen situaties na waarin ze zich als volwassenen zullen bevinden. Door middel van fictie oefenen we als volwassenen ons vermogen om onze ervaringen uit het verleden en die van tegenwoordig te structureren.

Maar als de narratieve activiteit zo nauw verbonden is met ons dagelijks leven, zou het dan niet kunnen zijn dat we het leven als fictie interpreteren, en dat we tijdens het interpreteren van de werkelijkheid er fictionele elementen aan toevoegen?

We zullen in ieder geval niet ophouden fictionele verhalen te lezen, want daarin zoeken we een formule om zin aan ons bestaan te geven. We zoeken per slot van rekening gedurende ons hele leven naar het verhaal van onze oorsprong, dat ons kan vertellen waarom we geboren zijn en waarom we hebben geleefd.

Umberto Eco, Zes wandelingen door fictieve bossen.
Bert Bakker, Amsterdam. 1994
 

<

Hubert Lampo

(1)
...het gaat eigenlijk niet om één of ander verzonken werelddeel, dat waarschijnlijk niet ééns bestaan heeft, tenzij in de verbeelding van de schrijvers. Maar voor mij betekent het veel meer. Soms kan ik onmogelijk de gedachte van mij afzetten, dat er een andere wereld bestaat, dan deze waarin wij leven, een land, dat wij in de voortijd van ons bestaan gekend hebben. (...) Het is een land, dat vlak nabij is, omdat wij het deels ook in ons binnenste dragen, maar tevens verder van ons verwijderd dan de verste onder de sterren aan het uitspansel, waarover je lezen kunt, dat hun licht miljoenen keren miljoenen jaren nodig heeft om tot bij ons te komen. Reeds als kind heb ik het gevoeld, jonas, dat er een dergelijk land bestaan moet en daarom is het waarschijnlijk dwaas van me, dat ik er thans nog in geloven blijf. Maar het is als een heimwee, dat ik nauwelijks onder woorden kan brengen, een heimwee waarvan men nooit weer geneest als het je eenmaal te pakken heeft, doch dat soms kan omslaan in het vreemde gevoel, dat er een geheime weg bestaan moet, een weg die je vinden kan, als je tenminste de moed bezit om hem met je hele wezen te willen vinden...

(2)
Het is nu éénmaal onweerlegbaar zo, dat de mens steeds van verre, onbekende landen of gewesten placht te dromen, scheppingen zijner verbeelding, welke heftig contrasteren met de hem omringende vertrouwde, hem vaak met misnoegen of met een frustratiegevoel vervullende werkelijkheid. Kortom, er schijnt in onze ziel zo iets te bestaan als een behoefte aan het geloof in één of andere paradijselijke wereld, waar het leven voor de mens gemakkelijker, rechtvaardiger, gelukkiger of misschien alleen maar boeiender is geweest, een wereld die dichter bij het mysterie van de oorsprong aller dingen lag en waar goden, halfgoden en liefst nog uebermenschliche helden misschien zelfs de grondslagen tot een superieure oerbeschaving plachten te leggen, waarvan op vage of duidelijke wijze de latere mensenrassen de erfgenamen gebleken zijn...

(1) Hubert Lampo, Terugkeer naar Atlantis.
Meulenhof, Amsterdam. 1966

(2) Hubert Lampo, Toen Herakles spitte en Circe spon,
A.Manteau n.v. Brussel. 1966