<PLEK

Al deze stenen werden aangeraakt en opgestapeld
dit is het beeld dat bleef
nadat de arbeid was verdwenen

Eens, zegt deze plek, eens
zij is een spoor en zo
kan zij gelezen worden

(Een plek waar mensen 
zijn geweest
raakt nooit meer leeg)

Maar laten wij 
dichterbij komen en 
net zo proberen te zwijgen 
als deze stenen
die als een mozaïek verschieten
in het dalende licht

Hier ben je niet alleen
al is het nog zo stil
voor de gesloten deur pas
weet je wat je wil

In dit genadeloze licht
zo dicht bij verdwenen mensen
komen dat hun verhalen klinken
in wat hier ligt

Kromme spijkers, blik, een plank
klinkers van een taal die
op een harde muur van zwijgen stuit

Dat is het geluid van foto's:
er waren mensen, eens en zij
spreken zich in dit, ons kijken
uit

J.Bernlef. ( Uit: Wolfsmond nr. 12, Uitgeversmaatschappij Tabula, 1985)
 

<

WIT

Het wit tussen regels
Ook het wit tussen woorden

Dat is iets anders dan
'daar' staat niets
of
'daar' gebeurt niets

Wit wordt gezien
omdat het op papier
niet alleen is

vergezeld wit geeft richting aan ogen

Richting lijkt er ook altijd
te zijn als je gewoon 
om je heen kijkt: toch hoeft
er niet speciaal iets te gebeuren

Dat is het verschil met papier:
zolang er wit is
volgen meestal wel
scènes of gebeurtenissen

Wit is een oude meester
<ONOPVALLENDE REDUCTIE

niet uitgevoerd


Een vlak of in ieder geval iets
reduceren tot de suggestie van dat vlak

Maar het toch intact laten,
niet beschadigen.
 

<

AANKOMST UITGESTELD

Man loopt door vertrouwde 
gangen van gebouw

Zelfde loop zonder gebouw
bij voorbeeld op wijde vlakte;
woestijn, bevroren meer

Loop los gemaakt
van omgeving

Richting intact
van doel bevrijd
 

K.Schippers. (Uit: Een leeuwerik boven een weiland. Em. Querido's Uitgeverij 1980)
 

<

 

VERDER

I
Nu we weten dat we verdwaald zijn

blijft ons alleen deze plek.

Regen, tot aan de horizon regen
en een zee van grijs-groene heuvels,

golven van bos na bos.

II
Onze kaarten hebben we achtergelaten,

ergens, niet boos, niet weemoedig:

ze vertelden ons wat we al wisten,
waar we vandaan kwamen.

Niet waar we waren.

III
Op het punt nu van verder te gaan
en niet weten hoe, niet weten

van het geritsel, de geuren, het duister
onder de bomen, het geschreeuw
in de verte,de verdwijnende

sporen, van niets weten

wat het betekent.

IV
Onze gezichten zijn koud en
strak,
glad van de regen, alsof we huilen.

Het is geen huilen,
het zijn regen en huid.

V
Grijs-groene golven van bos na bos,

daarin zullen we verdwijnen.


Daaruit zullen we terugkeren,

maar dat zullen wij niet meer zijn.

Wie dat zijn weet niemand, 

 

<

EEN LEGE PLEK OM TE ZIJN

Ga nu maar liggen liefste in de tuin,
de lege plekken in het hoge gras, ik heb
altijd gewild dat ik dat was, een
plek voor iemand, om te blijven

 

<

DE LANDMETER

Het is niet alleen onverschilligheid, in zekere zin 
is het misschien zelfs wel liefde die hem dwingt,
er is geen paradijs zonder rentmeester.

Hij is gelukkig met het landschap, maar gelukkig
met het zoeken, coördinaten wijzen hem zijn

onzichtbare

plek, zijn utopie is de kaart, niet de wereld.

Hij wil weten waar hij is, maar zijn troost is
te weten dat de plek waar hij is niet anders bestaat

dan als zijn eigen formule, hij is een gat in de vorm van

een man in het landschap. Met de grenzen die hij
trekt, scherper en duidelijker, vervagen het gras

en de bomen en alles wat daar leeft, lijdt en sterft.

Het is heel helder om hem heen, alles is
waargenomen.

 

<

IN GRONINGEN

je bent in Groningen, maar hier
ben je dat niet,
dit is een onbekende plek,
dit is een gedicht in

deze stad

waarin je al die jaren kwam en
ging, door altijd zon, altijd regen,

altijd wind, totdat je hier

stond, en dit las.

je kwam en gaat weer weg, ook nu.
Zo zal het blijven tussen ons, ik ben
een onbekende plek.

Rutger Kopland. (Uit: Geluk is gevaarlijk. Rainbow Pocketboek 416,  1999)