| Gilles Deleuze heeft het over kadreren als het creëren van een "buiten beeld" (hors champ) dat refereert aan wat gezien noch begrepen wordt, maar desalniettemin volstrekt aanwezig is. (Wim van den Bergh over Berlin Night van John Hejduk. 1993) | |
| Deleuze/ Guattari, Rhizôme/Rizoom, fragmenten. Parijs 1976 / Utrecht 1998 "Schrijven doe je volgens Deleuze altijd op de uiterste grens van weten en niet-weten, en het is ook alleen op die grens dat er een echte noodzaak bestaat voor het schrijven. Het schrijven dat balanceert op de grens van weten en niet-weten wordt een handeling van de verbeeldingskracht: woorden ontsnappen aan opgelegde betekenissen en gaan een eigen leven leiden. Ze zijn niet langer representatief, maar affectief: ze werken 'op de zenuwen'. Zoals kunst direct inwerkt op het zenuwstelsel, zonder een omweg te maken via het intellect, zo moet volgens Deleuze ook de filosofie direct inwerken op het gemoed, zonder een omweg te maken via het verstand. Wat de klank is voor een musicus of de kleur voor een schilder, dat is het concept voor een filosoof. Een filosoof is iemand die creëert in de orde van concepten". "Het is de actualiteit die Deleuze interesseert, datgene wat gaande is, de filosofie als handeling van het denken. In zijn interviews komt hij hier voortdurend op terug: wat ons vergiftigd heeft, is de scheiding tussen theorie en praktijk. De filosofie, in plaats van een superieur vertoog te zijn, moet beschouwd worden als een creatief vertoog, noch meer, noch minder dan de andere disciplines. In zijn voorlaatste boek, Qu'est-ce que la philosophie?, zegt hij het nog eens kort maar krachtig: '... filosofie is de kunst van het vormen, bedenken en vervaardigen van concepten`. Met andere woorden, concepten zijn niet zomaar gegeven, maar moeten gecreëerd worden". (fragmenten uit de inleiding van de Nederlandse vertaling (René Sanders) door Monique Scheepers). | |
| “Laten we de belangrijkste kenmerken van een rizoom nog eens opsommen: in onderscheid met bomen en wortels verbindt het rizoom een willekeurig punt met een ander willekeurig punt, elk van de lijnen verwijst niet noodzakelijk naar soortgelijke lijnen maar brengt heel verschillende tekenstelsels in het spel en zelfs toestanden zonder tekens". "Het rizoom laat zich op het Ene noch op het vele terugvoeren. Het bestaat niet uit eenheden maar uit dimensies". "In tegenstelling tot een structuur die zich definieert door stelsels van punten en posities, bestaat een rizoom slechts uit lijnen als dimensies". "In tegenstelling tot de boom is het rizoom geen voorwerp van reproductie: noch een uitwendige reproductie als beeldboom, noch een inwendige reproductie als boomstructuur". "In tegenstelling tot het grafische beeld, de tekening of foto, in tegenstelling tot kopieën is het rizoom vergelijkbaar met een kaart die nog vervaardigd en geconstrueerd moet worden, die altijd demonteerbaar, aansluitbaar, omkeerbaar en verwisselbaar blijft, met vele in- en uitgangen, met zijn vluchtlijnen. Je moet kopieën terugvoeren op kaarten en niet omgekeerd". "Het vele vraagt om een methode die effectief gemaakt kan worden; Het is ons niet gelukt. Wij hebben slechts woorden gebruikt die op hun beurt voor ons als plateaus functioneerden". "RIZOMATIEK = SCHIZOANALYSE = STRATOANALYSE = PRAGMATIEK = MICROPOLITIEK". "In ieder geval pretenderen we niet op te treden uit naam van een wetenschap. "Er is geen driedeling meer tussen een reëel veld: de wereld, een representatief veld: het boek, en een subjectief veld: de auteur". "RIZOMATIEK = NOMADOLOGIE". Uit: Deleuze/ Guattari, Rhizôme/Rizoom, fragmenten. Parijs 1976 / Utrecht 1998 | |
| Geert Bekaert: Marc Augé spreekt over de non-lieu, de niet-plek, als de ruimte waarin de reiziger zich beweegt. Waar geen plaatsen of plekken worden gekend. De ruimte van de reiziger is het arche-type van een niet-plek. De anonimiteit van de plaatsloosheid is zelfs de voorwaarde voor de reiziger om op eigen eenzame wijze de gemeenschap van de menselijke bestemmingen te ontdekken. (Geert Bekaert over Marc Augé: Nonlieux. Paris 1992. in Archis 1993-2) Geert Bekaert: Sinds Italo Calvino in 1972 Le citta invisibili, de onzichtbare steden, heeft gepubliceerd, kan men niet meer om die tekst heen als men te weten wil komen, in de woorden van Calvino, "hoe de stad (Tamara) werkelijk is onder de dichte mantel van tekens, wat zij bevat en wat zij verbergt". | |
| TERRA INCOGNITA, De geografie der verbeelding. Iedereen weet dat kaarten grenzen hebben, niet alleen de door de kaartenuitgever gewilde omkadering van stads-, lands- of continentale grens, maar ook de buiten de kaart aangebrachte detailleringgrens. Het is duidelijk dat op een wereldkaart omwille van de overzichtelijkheid geen wegen zijn aangebracht en op een stadsplan om dezelfde reden geen hoogtelijnen. Elke kaart heeft met opzet witgelaten vlekken. De cartograaf beslist zelf welk gebied en welke aspecten van dit gebied bij de kaartlezer uitnodigt om samen met hem te beheersen. De onbeschreven, blanco aspecten laat hij over aan de verbeelding van de gebruiker. De terra incognita fungeerde op de oude wereldkaarten als het onontdekte gebied en bleef daarom blanco. De vooruitgang heeft het zo gewild dat het ongekende steeds meer ingesloten werd door de ontdekkingen: het wit verschoof van de rand naar het midden van de kaart, waar het onder druk van de veroveringen een steeds meer krimpende kern werd. Het ongekende vormde een gat in de kennis dat niet onoverbrugbaar was, maar een blijvende reserve aan mogelijkheden bood. Sinds het begin van de veroveringen haat men witte vlekken: de aarde werd van langs om meer volledig bedekt, benoemd en uitgestreken op papier. De enig mogelijke vooruitgang verder is die van de 'diepte': die van de zeeën en oceanen, die van een oerwoud, maar ook bijvoorbeeld de 'diepte' van een stad. Kijken naar een gebied op de kaart is als kijken in een caleidoscoop waaraan de verbeelding landschappen, steden en volkeren kan toevoegen. Alleen deze diepte biedt ons nog een reserve aan mogelijkheden, waarbij realiteit en verbeelding als luchtlagen over elkaar liggen. (Uit Passage, gids voor het doordachte reizen. Kritak, Leuven 1986) | |
| K.Schippers: En inderdaad maakt Duchamp ook in zijn niet volumineuze objecten, geschriften en andere experimenten de indruk terug te wijken, een opzettelijk spoor van verwarring achter zich latend, het resultaat van ongeïnteresseerdheid, originaliteit en toevalsbesef. Al zijn werk is "op de rand" gemaakt, een soort preluderen op de grote stilte, die volgt na elke conventionele creativiteit, maar die hij bewust heeft geëxploiteerd. Men moet Duchamp zoeken, maar wie hem vindt, zal bij hem een leegte aantreffen, waarbij hij zichzelf kan zijn. (J.Bernlef en K.Schippers. Een cheque voor de tandarts. Em. Querido 1967) | |
| Xandra Schutte: "Uit al die verschillende teksten spreekt een zelfde onderliggend gevoel, telkens weer zoekt Van Weelden naar de ervaring van een nulpunt. Tijdens zo'n nulpunt tellen verleden en toekomst niet, het leven staat even stil in een ongrijpbaar heden waarin alles mogelijk is. Vanuit zo'n nulpunt begint beweging en daar is het Van Weelden in al zijn boeken om te doen: om beweging, alertheid, enthousiasme, openheid, improvisatie, om schakeling kortom. (Xandra Schutte in Groene Amsterdammer 28/4/1999, over Dirk van Weelden, Van hier naar hier. Bezige Bij 1999.) | |
| George Perec: "Ik heb al meermalen geprobeerd om me een appartement voor te stellen waarin een nutteloze ruimte zou zijn, een volkomen nutteloze, doelbewust nutteloze ruimte. Hoe ik ook mijn best deed, het lukte me niet die gedachte, dat beeld, tot het einde toe vast te houden. Het leek wel of de taal zelf te kort schoot bij het beschrijven van dat niets, die leegte, alsof je alleen kunt spreken over wat vol, nuttig en functioneel is..... Ik ben nooit op iets echt bevredigends uitgekomen. Maar ik geloof niet dat ik in mijn streven om die onwaarschijnlijke grens te overschrijden mijn tijd heb verdaan: in die pogingen schemert naar mijn gevoel iets door wat een statuut van het bewoonbare zou kunnen zijn..... (George Perec, Ruimten Rondom. Arbeiderspers 1998) | |
Marjoleine de Vos: "In een interview van Ger Groot met Hans-Georg Gadamer, haalt de laatste Aristoteles aan die gezegd heeft dat “ de geschiedschrijving minder op waarheid gericht is dan de poëzie. Want de geschiedschrijving zegt alleen hoe de dingen gebeurd zijn, terwijl poëzie zegt hoe ze altijd gebeuren kunnen." Volgens Gadamer heeft dat te maken met de dichtheid, de concentratie van gedichten en schilderijen, die belangrijker is dan de waarheid van datgene waar ze naar verwijzen. Dat wil zeggen: het gaat niet vooral om wat er gezegd of getoond wordt maar het gaat om de manier waarop dat gebeurt. Door dat 'hoe', door de vorm, wordt een kunstwerk iets dat op zichzelf staat en op zichzelf waar is. "Zodat je zelfs bij de uiterste verwoesting - daarom heb ik de Guernica als voorbeeld gekozen - ziet dat het kunstwerk is zoals het moet zijn." "Zo maakt Samuel IJsseling de kunst, in ieder geval de literatuur, nog veel onontkoombaarder dan de goden haar meteen al vonden. Zij is nodig omdat we anders pas echt machteloos en hulpeloos zouden staan tegenover verleden, heden en toekomst. En door de zang en dans van de Muzen vergeten wij onze ellende en zorgen, door ons te verheugen in de schoonheid van de wereld- en in de eer en ellende van anderen over wie verteld wordt. Want wat verstrooit meer dan andermans narigheid, mits goed verteld. Het zijn mooie en interessante essays die van IJsseling, door zijn royale filosofische belezenheid, maar ook door de mooie citaten uit de antieke literatuur. Zo schreef Hesiodus, tijdgenoot van Homerus al: "De Muzen hebben mij geleerd een lied te zingen dat mijn beperkte vermogen overstijgt". Dat is een belangrijke waarheid: het grote kunstwerk 'weet' meer, omvat meer, is rijker en wijzer dan de maker.
|