Uit: Umberto Eco, Zes wandelingen door fictieve bossen, hoofdstuk 4 Mogelijke bossen. |
"In hoofdstuk 115 van mijn boek De slinger van Foucault, loopt mijn personage Casaubon, in de nacht van de drieëntwintigste op de vierentwintigste juni 1984, nadat hij een occultistische ceremonie in het Conservatoire des Arts et Métiers in Parijs heeft bijgewoond, als een bezetene de hele rue Saint-Martin uit, steekt de rue aux Ours over, gaat langs het Centre Beaubourg, en komt bij de kerk van Saint-Merri. Daarna zet hij zijn wandeling voort door diverse straten, alle met name genoemd, tot hij op de place des Vosges aankomt. Om dit hoofdstuk te schrijven heb ik dezelfde route op een aantal verschillende avonden gelopen, met een bandrecorder bij me om notities te maken van mijn indrukken en van wat ik zag. Ik vind het prettig om de omgeving waarover ik schrijf voor me te hebben terwijl ik mijn verhaal vertel: ik voel me daardoor meer vertrouwd met wat er gebeurt en ik kan zodoende beter in de huid van mijn personages kruipen. Maar die lezer, -ook al leed hij een beetje aan een milde vorm van paranoia- was niet helemaal abuis. Ik had hem laten geloven dat mijn verhaal zich afspeelde in het "echte" Parijs, en had zelfs de dag aangegeven. Als ik in zo'n minutieuze beschrijving had beweerd dat naast het Conservatoire de Sagrada Familia van Gaudi stond, zou de lezer zich terecht mogen ergeren, want als we in Parijs zijn, zijn we niet in Barcelona. Maar had onze lezer echt het recht om naar een brand te zoeken die op die avond werkelijk in Parijs was uitgebroken maar niet in mijn boek voorkwam? Ik houd vol dat mijn lezer overdreef toen hij voorgaf dat een fictief verhaal geheel moet overeenstemmen met de feitelijke wereld waaraan het refereert". "Twee studenten van de Ecole des Beaux Arts in Parijs bezochten me onlangs om me een fotoalbum te laten zien waarin ze de route van mijn personage Casaubon hadden gereconstrueerd. Ze hadden op hetzelfde uur van de nacht alle plekken die ik had genoemd, gefotografeerd. De tekst beschrijft uitvoerig hoe Casaubon uit het stadsriool naar boven komt en via de kelder een oosterse bar binnenstapt, waar het vol is met bezwete klanten, pullen bier en vette kebab. Het was hun gelukt die bar te vinden en er een foto van te maken. Ik hoef niet te zeggen dat ik die bar had verzonnen, ook al dacht ik toen ik hem beschreef aan de vele bars van dat soort in die buurt, maar de twee studenten hadden zonder twijfel de in mijn boek beschreven bar ontdekt. Nu is het niet zo dat ze hun taak als modellezers hadden onderworpen aan de wens van de empirische lezer die wil verifiëren dat mijn roman het werkelijke Parijs beschrijft. Integendeel, ze wilden het "werkelijke" Parijs omvormen tot een plek in mijn boek, en van alles wat ze in Parijs hadden kunnen aantreffen, kozen ze alleen de aspecten die met mijn beschrijvingen overeenkwamen. Ze maakten gebruik van een roman om die vormeloze en uitgestrekte kosmos van het werkelijke Parijs gestalte te geven". "Zo ook is het lezen van fictie als een spel waarbij we zin verlenen aan de immense hoeveelheid dingen die in de eigenlijke wereld gebeurden, gebeuren of zullen gebeuren. Door het lezen van narratieve tekst ontkomen we aan de beklemming die ons bevangt zodra we iets waars over de wereld willen beweren". "Dit is de troostende functie van het narratieve proces, de reden waarom mensen verhalen vertellen, en al vanaf het begin der tijden verhalen hebben verteld. En het is altijd de hoogste functie van mythen geweest: het vinden van een gestalte, een vorm, in het verwarrende geheel van menselijke ervaringen". (Zie ook bij Kunstgeografie/Teksten/Umberto Eco)
|
| terug |